Eerste prijs, categorie jeugd

Hij had heel even naar haar gekeken. Ze wist het zeker. Ze richtte haar aandacht op de vloer voor haar, zodat haar pupillen konden afdwalen naar de rij waar hij zat.
Ze voelde zich merkwaardig rustig. Haar hart bonsde niet overdreven, ze had geen zwetende handen. Ze had alleen haar hoofd wat scherp zijn kant op gedraaid toen ze de coupé binnenstapte. Niet dat ze het had kunnen tegenhouden, dat ze wist ze ook wel. Het was als vanzelf gegaan, en misschien was het wel door dat automatisme dat ze wist dat hij het was.
Hij bewoog wat, ze richtte haar blik op het raam naast haar, de weerspiegeling liet hem zien. Ze ontspande wat. Hij was ouder dan ze zich had voorgesteld. De rimpels in zijn gezicht waren duidelijk zichtbaar. Hij las de krant, het papier ritselde zachtjes. Zijn kleren zagen er duur uit.
Ze reden een halte binnen, hij stond op. Als vanzelf stond zij ook op. Ze hield zich stevig vast aan de stoelen, terwijl ze achter hem liep. De trein schokte nog wat na, de oude man wankelde, ze greep hem bij de arm.
‘Dat ging maar net goed, bedankt,’ zei hij en hij glimlachte.
Ze had geknikt en haar ogen waren blijven hangen bij zijn mond. De plooi van zijn wang als hij zijn mondhoek optrok, de rimpels die ontstonden, zo zag haar glimlach er ook uit. Hij liep verder en ook zij stapte de trein uit. Ze had geen idee waar ze zich bevond en wanneer de volgende trein vanaf dit station vertrok. Terwijl ze zich omdraaide, floot de conducteur al op zijn fluitje. Ze was te laat.
De man was gaan zitten op een bankje, ze nam naast hem plaats. Even bleef het stil, ze genoot van de rust die de man uitstraalde.
‘Ook een pepermuntje?’ De man hield haar een rol voor.
Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, dank u wel.’
Hij haalde zijn schouders op, pakte een snoepje van de rol en stopte deze in zijn mond. ‘Het zijn mijn favoriete snoepjes,’ zei hij. ‘Ze nemen me terug naar mijn jeugd, toen ik als kind in de kerkbanken stil moest zitten en het snoepje onder mijn tong liet smelten terwijl de dominee preekte.’
‘Wacht u hier op iemand?’ vroeg ze hem.
‘Op mijn vrouw, ze komt vanaf het ziekenhuis hierheen, dan maken we samen de reis terug naar huis.’
‘Dat spijt me.’
‘Wat?’
‘Dat ze naar het ziekenhuis moet.’
‘Ach,’ hij wuifde het weg, ‘het is niks ernstigs. Tenminste, dat is wat de doktoren zeggen.’
Ze glimlachte naar hem.
Hij bestudeerde haar gezicht. ‘Ken ik u ergens van?’
Even twijfelde ze, toen schudde ze haar hoofd. ‘Ik geloof van niet.’ Ze stak haar hand uit, ‘Marieke.’
Hij pakte hem vast. Zijn handgreep was stevig en warm, ‘Freek.’
Nu vloog haar hart wel op, hij had zijn naam gezegd en de naam stemde overeen.
‘Sorry dat ik het u nog eens vraag, Marieke, maar u komt me toch zo bekend voor. Ook geen verre familie zeker? Zegt de familienaam de Bruijn u wat?’
Hier had ze haar hele leven op gewacht. Op deze man, Freek de Bruijn. Ze had over hem gefantaseerd en hij stelde haar in het echt toch wat teleur. Hij was zo gewoontjes, als ze geen foto’s van hem had bestudeerd, dan was ze aan hem voorbijgelopen. Dat wist Marieke zeker.
‘Freek, daar ben je.’ Een vrouw met grijs haar kwam gebogen op hen afgelopen. Ze plofte naast haar man neer. ‘Het gaat niet goed, Freek,’ ze had de tranen in haar ogen staan. ‘Het gaat echt niet goed.’
Freek pakte haar hand vast, drukte er een kus op.
De vrouw kneep even in de hand van haar man en wierp toen een blik op Marieke. ‘Sorry, ik hoop dat mijn man je niet al te vermoeid heeft met zijn geklets?’
Marieke glimlachte, draaide wat meer naar het spoor toe, ‘nee hoor, absoluut niet.’
‘Ze komt me zo bekend voor,’ zei Freek, ‘weet jij misschien waar ik haar van ken?’
Hij wist het echt niet, schoot er door haar heen. Hij wist niet wat er was gebeurd, anders had hij het nooit aan zijn vrouw gevraagd.
De oude vrouw tuurde ingespannen naar haar, Marieke voelde haar ogen branden op haar gezicht. ‘Ik zou het niet weten.’
Freek haalde zijn schouders op. ‘Zullen we maar gaan dan? Nog een prettige dag, Marieke.’
Ze knikte het echtpaar toe en keek ze na. Ze liepen hand in hand. Ze wist niet wat pijnlijker was, dat hij een doodnormale man leek, of dat hij niet van haar bestaan afwist. De volgende trein arriveerde op het perron en Marieke stapte in.